Bij een plat gemiddelde telt elk jaar even zwaar mee. Maar dat voelt soms niet eerlijk.
Stel dat je bedrijf elk jaar beter draait. Dan zegt je oudste jaar eigenlijk niet zoveel meer over waar je nu staat.
Bij inkomensweging laat je de recente jaren zwaarder meetellen. Het laatste jaar krijgt de hoogste weging, het oudste jaar de laagste.
Vandaar de namen 4-3-1 of 3-2-1. De getallen zijn de gewichten: het recente jaar keer 4, het jaar ervoor keer 3, het oudste keer 1.
Zo komt er een gewogen gemiddelde uit, in plaats van een plat gemiddelde.
Stel, je winst was 40.000, daarna 50.000, en vorig jaar 70.000.
Een plat gemiddelde komt uit op zo'n 53.000 euro.
Nu de weging 4-3-1, waarbij het recente jaar het zwaarst telt. Dat is 70.000 keer 4, plus 50.000 keer 3, plus 40.000 keer 1. Bij elkaar 470.000, gedeeld door 8 (de gewichten samen). Dat is dus zo'n 59.000 euro (indicatief).
Je ziet het verschil. Diezelfde cijfers geven met een weging een hoger en vaak eerlijker toetsinkomen.
Een weging past vooral als er een duidelijke, stijgende lijn in je cijfers zit. Gaat je winst juist op en neer, of daalt hij? Dan helpt een weging meestal niet en kan een plat gemiddelde of maatwerk logischer zijn.
Niet elke geldverstrekker biedt weging aan, en de gebruikte gewichten verschillen. Precies daar zit ruimte die je zelf niet altijd ziet.
Nee, dat bepaalt de geldverstrekker, en niet elke partij biedt een weging aan. Ik kijk welke aanpak bij jouw cijfers past en waar het gunstig kan uitpakken.
Niet altijd. Bij een stijgende lijn vaak wel, bij een dalende lijn juist niet. Het hangt af van je cijfers en je situatie.
Dat kan voorkomen. Als het laatste jaar lager is, kan een weging het gemiddelde omlaag halen. Daarom is het belangrijk om vooraf te kijken wat in jouw geval het gunstigst is.